Druif

Druiven (Vitis vinifera) groeien trosgewijs aan druivenstokken. Die groeien bij voorkeur in een subtropisch klimaat. Zonnig en droog, hoewel niet àl te droog: een riviertje in de nabijheid is uiterst welkom. Helemaal naar hun zin hebben de druivenstokken het op een kalkrijke, kleiachtige grond met een laag grondwaterpeil. Aan zure, leemachtige bodems gaan ze onherroepelijk kapot. De teelt van druiven is grotendeels afgestemd op wijnproductie. In vergelijking met wijndruiven zijn consumptiedruiven dan ook een marginaal gegeven. 
Aan dikke trossen druiven is heel wat mensenwerk aan voorafgegaan. Jonge trossen moeten 'gekrent' worden: elke tros en elk steeltje wordt geïnspecteerd. Een steeltje mag maximaal 9 bessen (jonge druiven) bevatten, de overtollige besjes worden zorgvuldig weggeknipt. Ook de trossen worden uitgedund. Verder mag het gebladerde niet te uitbundig groeien omdat dit ten koste gaat van de vruchtontwikkeling (daarom ook is een arme steengrond zeer geschikt voor druiventeelt). Nieuwe scheuten kan je slechts in beperkte mate tolereren: het merendeel moet je elimineren zodat er niet teveel vocht wordt onttrokken. Kortom, er vloeit veel energie in de kweek van een paradijselijke tros druiven...

Recepten